Voorwoord Zama van Antionio di Benedetto (door Maarten Asscher)
Voorwoord
Het leven als obstakel voor zelfbevrijding
Over Antonio di Benedetto hoorde ik voor het eerst in een prieeltje in de tuin van het Museo Nacional de Arte Decorativo in Buenos Aires. Achteraf beschouwd was de buitenissige setting van dat gesprek volkomen in lijn met de wereld van don Diego de Zama, de hoofdpersoon van Di Benedetto’s belangrijkste roman, verschenen in 1956. In 2016 verscheen Zama eindelijk in het Engels, in een vertaling van Esther Allen, uitgegeven door NYRB Classics. Nog mooier is dat de roman meer dan zestig jaar na zijn eerste verschijning nu ook in een Nederlandse vertaling van Aline Glastra van Loon beschikbaar is.
Waarom duurt zoiets zo lang? Al bij leven van de auteur had het boek een prominente reputatie, die bijvoorbeeld tot uitdrukking kwam in enthousiaste complimenten van Jorge Luis Borges, de beroemdste Argentijnse schrijver van de twintigste eeuw. De in 1922 geboren Di Benedetto overleed in 1986 en ook alle jaren nadien lag het boek klaar voor vertaling. Verspreid verschenen er wel enkele vertalingen, maar het ziet ernaar uit dat de roman pas nu ineens internationaal gelijktijdig wordt (her)ontdekt, met als voorlopig hoogtepunt het uitgebreide en indrukwekkende artikel dat Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee ter gelegenheid van de publicatie van de Amerikaanse editie in de New York Review of Books van 19 januari 2017 aan de schrijver wijdde. Ironisch genoeg is ook het feit dat we zo lang naar een vertaling van deze roman hebben moeten uitzien volkomen in lijn met het hoofdmotief in het leven van don Diego de Zama: wachten.
Don Diego is het soort hoofdpersoon dat een hele roman vult, op de wijze waarop ook Don Quijote of Oblomov volledig samenvallen met de naar hen genoemde romans. De lezer van de roman Zama verneemt alles via de observaties, de herinneringen en de gedachtenspinsels van de gelijknamige hoofdpersoon. De roman is gesitueerd diep in de Argentijnse provincie in het laatste decennium van de achttiende eeuw. Don Diego de Zama is gestationeerd in Asunción, tegenwoordig de hoofdstad van Paraguay, op een onoverbrugbaar grote afstand van Buenos Aires, om nog maar te zwijgen van het Spaanse moederland dat zich voor don Diego bijna op een andere planeet bevindt.
Don Diego is een hooggeplaatste koloniale ambtenaar die tot zijn frustratie ver weggestopt is in het achterland van wat op zich al een uithoek van de wereld is. Hij wordt dan ook verteerd door twee alleszins invoelbare verlangens. Zijn eerste verlangen is om naar de hoofdstad overgeplaatst te worden, weg uit het achterlijke niemandsland van een oerwoudprovincie. Het tweede is dat hij hunkert naar een Europese vrouw. Niet zo’n zwetende, slecht geklede mulattin, maar een wufte, blanke vrouw, met zachte manieren. Zijn eigen echtgenote Marta woont met de kinderen in Mendoza, een afstand in plaats die ook een afstand in tijd is geworden. Dat wil zeggen: ‘thuis’ is voor don Diego synoniem geworden met ‘vroeger’. Zijn gedachten gaan juist voortdurend uit naar de toekomst, naar zijn hoop, zijn verwachtingen. Zama is een roman waarin het leven zich in zijn meest pure essentie voordoet: een mens maakt in zijn hoofd allerlei plannen en 9 terwijl we wachten op de uitvoering daarvan verstrijkt de tijd en vermeerderen onze herinneringen.
De Argentijnse literatuur tapt in essentie uit twee vaten. Het ene is de koloniale, kosmopolitische immigratiecultuur, het andere de inheemse cultuur van de gauchos, na de indianen de oorspronkelijke, creoolse bewoners van de regio. Don Diego droomt van het eerste, maar zit hopeloos vast in het tweede. Daarin schuilt een parallel met de tweespalt in het schrijverschap van Antonio di Benedetto zelf, die zijn roman Zama enerzijds – bijvoorbeeld door uitvoerige historische en regionale research – diep wilde laten wortelen in de eigen Argentijnse geschiedenis, maar die anderzijds ook niets liever wilde dan dat zijn werk in de Spaanse en zelfs de Engels talige literaire wereld voet aan de grond zou krijgen.
Wat er zij van die tegenstelling, tegen het einde van zijn leven kwam Di Benedetto heftig in aanraking met de politieke geschiedenis van zijn eigen land. Luttele uren na de militaire staatsgreep van generaal Videla in maart 1976 werd hij gevangengezet. De enige reden voor die gevangenisstraf kan zijn gelegen in Di Benedetto’s werk als journalist, want in zijn tot dan toe verschenen literaire werk had hij zich eerder een verbeeldingsrijke schrijver in het fantastische genre betoond dan een politiek gemotiveerde auteur.
Dat die twee – politiek en verbeelding – ook samen kunnen gaan bewijzen zijn in de gevangenis geschreven verhalen. Het was Di Benedetto niet toegestaan in zijn cel literair werk te schrijven, maar hij mocht wel corresponderen. Die merkwaardige paradox zette hij naar zijn hand door in brieven naar huis over zogenaamde dromen te vertellen, die na zijn vrijlating een verhalenbundel opleverden onder de titel Absurdos (1978). Die vrijlating in september 1977 had hij in belangrijke mate te danken aan de hulp van collega-schrijvers als Heinrich Böll en Ernesto Sábato. Helaas had Di Benedetto’s lichamelijke en geestelijke gezondheid nogal te lijden gehad van zijn anderhalf jaar durende opsluiting, de martelingen die hij had ondergaan en de nep-executies waarmee hij was getreiterd.
Er wordt gezegd, onder anderen door de Amerikaanse vertaalster Esther Allen in het voorwoord bij haar vertaling van Zama, dat Antonio Di Benedetto na zijn uitvoerige voorbereidende research het manuscript van deze roman grotendeels tijdens een 18 dagen durende vakantie schreef. Daarna werkte hij nog een week lang in de ochtenduren aan het boek, alvorens zich aan zijn journalistieke werk van de dag voor de krant te zetten. Misschien dat die ongehoord vlugge ontstaansgeschiedenis heeft bijgedragen aan de lichte en soepele stijl van de roman, die de lezer moeiteloos naar de jaren 1790-1799 verplaatst, terwijl de existentiële en seksuele observaties en frustraties van don Diego tegelijkertijd op de lezer anno 2017 een volstrekt universele indruk maken.
In een van de laatste van de 50 korte hoofdstukken waaruit deze roman bestaat, peinst de hoofdpersoon bij zichzelf: ‘De ene ruiter kan naast de andere in draf rijden, ja, dat kan, zonder dat de een de ander aankijkt.’ De zelfbevrijding waar don Diego de Zama naar gezucht heeft is dan niet ver meer, al verloopt die heel anders dan hij het zich al die jaren had voorgesteld.
En de lezer?
Er zijn talloze romans waar schrijver en lezer als het ware naast elkaar in draf rijden, zonder elkaar ooit aan te kijken. Dat geldt niet voor Zama. Op de slotpagina’s van deze roman voelt de lezer zich keihard in het gezicht gekeken.
Maarten Asscher, Amsterdam 2017