Zoeken
Voorwoord Arnon Grunberg bij 'Een mens moet ook niet alles willen weten'
Op de dag van de presentatie van Giovanni della Chuisa's Een mens moet ook niet alles willen weten, kun je hier een inleiding op de dichtbundel lezen. Arnon Grunberg vertelt over de schrijver die hij bij hun eerste ontmoeting ' intuïtief onsympathiek' vond, maar waar hij later, zonder zich daar aanvankelijk helemaal bewust van te zijn, een fan van werd.  

Voorwoord Arnon Grunberg bij 'Een mens moet ook niet alles willen weten'

Gepubliceerd op 21 maart, 2018 om 00:00

Gestaag werken aan zijn eigen implosie

De tekst spreekt voor zich. Interviews, biografische details (zijn eerste vrouw kwam om bij een val in de badkamer), optredens in talkshows, lezingen, zij horen bij het schrijversleven en ik zou de laatste moeten zijn om daar neerbuigend over te doen. Maar deze frivoliteiten – uiteindelijk zijn het frivoliteiten – verhouden zich tot de tekst als een bosje bloemen op de tafel tot het voedsel.
    Ik zou kunnen zeggen dat ik Giovanni della Chiusa (1969-2015) op 8 of 9 mei 2008 – dat weet ik helaas niet meer zeker – in Rome heb ontmoet toen ik daar was in het kader van een kleine tournee langs Italiaanse universiteiten waar Nederlands werd gedoceerd. De hoogleraar Ton Anbeek en de docent Marleen Mertens begeleidden me en het was alleen al vanwege de locaties, Napels, Rome, Padua en Triëst, bijzonder aangenaam.
    Ik zou kunnen zeggen dat ik Della Chiusa intuïtief onsympathiek vond: het type lezer dat de schrijver ongevraagd confronteert met tekortkomingen die hij in het oeuvre heeft aangetroffen. Della Chiusa, zo meen ik me te herinneren, leek in het ongevraagde advies
de hoogste vorm van liefde te hebben herkend. Het moet een teleurstelling voor hem zijn geweest dat veel mensen niet op die hoogste vorm van liefde zitten te wachten.
    Daaraan zou ik kunnen toevoegen dat zijn kleine, ietwat gebochelde gestalte – hij wekte de indruk zich te willen verstoppen in zijn eigen lichaam – en zijn kleding, ik meende dat hij op straat leefde, mijn oordeel ongetwijfeld zullen hebben gekleurd, al moet daaraan worden toegevoegd dat schoonheid en frisheid de grote misleiders zijn en het verschil tussen verleiding en misleiding zit zoals bekend in de details.
    En bovendien, of ik zelf altijd schoonheid en frisheid uitstraal? Ik doe in elk geval mijn best, Della Chiusa wekte de indruk zijn best niet meer te willen doen.
    Toen hij me een paar maanden later begon te mailen, eerst met commentaar op mijn werk (‘Het zou allemaal nog veel beter kunnen als je je eens echt zou concentreren, ik zeg dit als een vriend,’ schreef hij op 24 juni 2008), later kwamen daar ook ongevraagde adviezen bij die meer met de frivoliteiten van het schrijversleven te maken hadden (‘Ik zag je toevallig op tv, als ik jou was zou ik de volgende keer wat meer rechtop gaan zitten.’). Vooral het laatste advies deed mij zowel aan hem als aan mezelf twijfelen. Moest ik misschien inderdaad meer rechtop gaan zitten? Als niet in het dagelijks leven, dan toch vooral als ik weer eens op tv verscheen? Het beeld van de schrijver is de helft van het oordeel dat over hem wordt geveld en Della Chiusa had wellicht goed begrepen dat de hedendaagse lezer de voorkeur geeft aan schrijvers die rechtop zitten. Tegelijkertijd vroeg
ik me af wat voor iemand zich bij het zien van de schrijver op televisie bekommerde om zijn houding? Hooguit de moeder van de schrijver. Of wilde hij me behoeden voor scheefgroei, in wat voor zin dan ook?
    Ook hier geldt allicht: een mens moet niet alles willen weten, al kan ik mijn nieuwsgierigheid zelden onderdrukken.
    In het najaar van 2009 liet hij nog weten: ‘Je rechterkant is je beste kant. Draag geen geel of groen meer als je gefotografeerd wordt.’ Daarna werd het stil. Ja, in 2010 kwam er nog een sms: ‘Je roman over overspel beviel mij maar matig. Als je behoefte hebt aan een
toelichting, laat me dat even weten.’
    Uit het niets, in 2012, stuurde hij me echter enkele gedichten toe. Geen adviezen of oordelen meer, maar poëzie. Hij vroeg ook niet naar mijn mening, hij schreef uitsluitend: ‘Ik dicht tegenwoordig op mijn vrije dagen. Iemand moet het doen. Ook heb ik onderdak
geboden aan een nest jonge katjes.’
    Ik beloofde die gedichten te lezen, wat ik niet deed. Ik had kunnen zwijgen of kunnen schrijven: ‘Helaas ontbreekt het mij aan tijd én motivatie om jouw poëzie te lezen’, maar daarvoor ben ik te goed opgevoed, of wens ik zelfs de liefde te ontvangen van hen die
ik nauwelijks ken?
    Na enige tijd volgde een mail met de mededeling dat Hollands Maandblad enkele gedichten had gepubliceerd. Toen ben ik wel gaan lezen, want als een tijdschrift als Hollands Maandblad iets in de poëzie ziet, lijkt de kans kleiner op verloren tijd dan wanneer de schrijver weer een ongepubliceerd manuscript doorbladert. De meeste schrijvende lezers zien in de schrijver overigens slechts een onaangename kruiwagen om hen op de volgende helling van het literaire middengebergte te krijgen, maar in die categorie viel Della Chiusa dus niet.
    Ik werd getroffen door regels als: ‘een inferno van rijmwoorden,/ maar nogmaals dank./ Dat zeiden ze.’
    Ook trof de hommage aan Raymond Roussel me met regels als: ‘33 tabletten Phanodorme/ 68 stuks Hypalène/ 4½ flesjes Vériane/ 52 tabletten Rutonal’. Hoewel ik net als de dichter zelf niets van Roussel gelezen had.
    Vanaf die tijd bleef hij me op zijn gedichten wijzen die regelmatig in Hollands Maandblad verschenen. Nu en dan kwam er nog een e-mail met adviezen (‘Let op de komma’s’) maar al snel beperkte hij zich tot vriendelijke, ja bijna bescheiden informatie over publicaties
van zijn poëzie (‘In het laatste nummer van Hollands Maandblad staat weer iets van Della Chiusa. Mocht je geïnteresseerd zijn kan ik je een exemplaar doen toekomen.’).
    Ik vergat de adviezen en werd, aanvankelijk zonder me daar helemaal bewust van te zijn, een fan. Soms vroeg ik me zelfs af: wanneer verschijnt er weer een gedicht van Della Chiusa in Hollands Maandblad?
    In de biografische aantekening voorin Hollands Maandblad stond overigens steevast dat Della Chiusa werkte aan een bundel met de titel Een mens moet ook niet alles willen weten. Daar geloofde ik weinig van, Della Chiusa leek me een man die gestaag aan zijn eigen implosie werkte.
    Maar eind 2015 ontving ik een laatste e-mail van Della Chiusa waarin hij meldde dat hij vermoedelijk een uitgever had gevonden en dat hij er geen bezwaar tegen zou hebben als ik een voorwoord zou schrijven bij die bundel, mits ik mijn stilistische tics voor de
verandering in bedwang zou weten te houden. Het zou, zo voegde hij eraan toe, ‘weleens de snelste route naar de eeuwigheid kunnen blijken te zijn voor jou’.
    Het aanbod om een voorwoord te schrijven kon ik niet weigeren; liefde en verantwoordelijkheidsgevoel lopen ongemerkt in elkaar over.
    Het duurde allemaal even, want redacteur Jasper Henderson, die de selectie maakte – niet alles wat Della Chiusa schreef, werd in Hollands Maandblad gepubliceerd – ondervond ongemak van familieleden, die weinig heil zagen in de poëzie. Over de doodsoorzaak is weinig bekend, een auto-ongeluk in de buurt van Perugia naar het schijnt.
    Het laatste briefje van Della Chiusa aan Henderson luidde: ‘Als me iets overkomt, zorg dan goed voor mijn katten. Zo’n poëziebundel is aardig, maar mijn katten hebben geen gedichten nodig.’ Van deze taak heeft Henderson zich niet gekweten, volgens hem was een redacteur niet verantwoordelijk voor het welzijn van de huisdieren van auteurs,
dood of levend. Ook ik heb, het spijt me te zeggen, verder geen naspeuringen meer verricht om de katten van Della Chiusa op het spoor te komen; bij dit voorwoord eindigt mijn verantwoordelijkheid.

Laat nu dan het voorwoord beginnen, het voorgaande was voorwoord bij het voorwoord, in de hoop uiteraard dat ik mijn stilistische tics heb weten te onderdrukken.
    Al in het tweede gedicht van deze bundel wordt naar Piet Paaltjens verwezen en het indringende parfum van de ironie van de destructie, ook wel genaamd zwarte romantiek, hangt over de bundel, maar ik meende ook de echo’s van Judith Herzberg te horen. Bijvoorbeeld in deze regels: ‘Na het telefoontje met het nieuws dat/ vader in de kerk een hartaanval had/ gekregen en was gereanimeerd/ door moeder, begon hij direct/ het huis aan kant te maken in/ afwachting van nadere berichten.’
    Je zult bij Herzberg niet zo gauw een kerk aantreffen, maar dat het huis aan kant wordt gemaakt na een droeve tijding vond ik behoorlijk herzbergiaans. Sterker nog, ik zag Judith Herzberg het huis aan kant maken nadat ik dit gedicht had gelezen; overal worden oude en toch nog eetbare voedselresten gevonden.
    Maar de tekst spreekt zoals gezegd voor zich en het voorwoord moet vooral niet tussen tekst en lezer gaan staan, zoals de priester zich met zoveel wellust tussen God en gelovige manoeuvreert.
    Op slechts één detail wil ik nog de aandacht vestigen waar de lezer misschien makkelijk overheen leest: veel gedichten zijn voorzien van datum en plaatsaanduiding.
    Zo staat onder het eerste gedicht 28 maart 2012 en Messina. Schreef hij daar zijn eerste gedicht of schreef hij daar zijn eerste publicabele gedicht? Daarna volgen enkele gedichten zonder datum en plaats tot we arriveren in Albergo Angelo d’Oro/ Gasthof Goldener Engel, 25 juni 2012. Ik heb het even opgezocht: Gasthof Goldener Engel in Chiusa, een eenpersoonskamer kost er 47 euro.
    Twee gedichten verder zijn we in Castasegna (vecchia dogana, de oude grensovergang), een dorpje in Zwitserland aan de Italiaanse grens, en is het 14 september 2012. Een gedicht heet ‘Triëst’, maar daar staat geen datum bij. Onder het laatste gedicht van de bundel staat: ‘Lucca, 20 november 2015’.
    Verder passeren nog: Café Monia & Clay, Viareggio, 25 oktober 2014. Viareggio, ik zocht het weer even op, is een badplaats aan de Ligurische Zee. Ook komen we een paar keer langs Bergamo, een keer Milaan, Amsterdam, Lucca, ook een paar keer, Taranto, een havenstadje in de hak van Italië, Merano, in Zuid-Tirol, San Benedetto del Tronto, in De Marken, Bellagio, aan het Comomeer, Sirmione, een plaatsje aan het Gardameer, en Soglio, in Zwitserland.
    Waarom schrijft een dichter plaats en datum onder een gedicht? Wat moet worden gemarkeerd? Is dat niet meer dan die oude, in tijden van e-mail ietwat verloren gegane gewoonte om boven brieven datum en plaatsnaam te zetten? Mijn moeder deed dat zelf op de luchtpostbrieven die zij geregeld aan haar nicht en tante in Buenos
Aires stuurde (Amsterdam, 14.3.78).
    Zijn deze gedichten brieven, zoals misschien de hele dichtkunst en romans en misschien ook wel columns en essays brieven aan vrienden zijn of aan mensen van wie men meent of ten onrechte meent dat zij vrienden kunnen worden?
    Of is het om te benadrukken dat plaats en tijd nauw zijn verbonden met de tekst? Slechts een momentopname. Wenst de dichter niet al te zeer te worden vereenzelvigd met de tekst? Afgestroopte huid; het oude ik is misschien alweer vervangen door een nieuwer, wellicht beter ik.
    De dichter doorkruist in een paar jaar tijd heel Italië, de nadruk ligt op het noordelijke gedeelte, met dus enkele uitstapjes naar Zwitserland en één naar Amsterdam.
    Geleidelijk aan kreeg ik de indruk dat Della Chiusa’s reizen, zijn rusteloosheid, niet zozeer het gevolg zijn van een romantische inslag of een nerveuze aandoening, als wel dat hij op de vlucht is voor een misdaad. Onduidelijk is het of die misdaad door hemzelf begaan zal worden of dat hij het slachtoffer ervan zal zijn.
    De dichter heeft het over een demon: ‘niets drijft/ haar uit/ ze blijft/ waar ze is/ ze grijnst/ slechts/ en maakt/ het zichzelf/ gemakkelijk.’
    De tekst vermengt zich met de geschiedenis en de fantasie van de lezer en daarom durf ik te zeggen: ik denk dat ‘demon’ een codewoord is. Ik denk aan het eeuwige, grijzende gezicht van de maffia. Geïnternaliseerde maffia misschien, maar ook dat is een detail.

 

Arnon Grunberg
Èze/Menton/Peillon, december 2017

 

In de herfst van 2012 debuteerde Giovanni della Chiusa (1969-2015) in Hollands Maandblad. Met enige regelmaat verscheen daarin zijn poëzie, tot het bericht kwam dat hij was omgekomen bij een auto-ongeluk in de buurt van Perugia. Hij werkte aan de bundel Een mens moet ook niet alles willen weten, nu bezorgd en ingeleid door Della Chiusa's vriend Arnon Grunberg. Deze bundel toont een wanhopige maar niet ongeestige zoektocht naar verlossing in alle uithoeken van Italië.

 

Auteurs
Auteur: Giovanni della Chiusa

In de herfst van 2012 debuteerde Giovanni della Chiusa (1969-2015) in Hollands Maandblad. Met enige regelmaat verscheen in dat tijdschrift zijn poëzie, tot het bericht kwam dat hij op 45-jarige leeftijd was omgekomen bij een auto-ongeluk in de buurt van Perugia.

Blijf op de hoogte

Volg onze sociale media voor het laatste nieuws: