Zoeken
Nachttrein naar Milaan
De  VPRO belde. Het radioprogramma Boeken wilde me interviewen over mijn uitgeverij Kasimir, gespecialiseerd in niet-Arische Duitse literatuur. De naam van degene die zou komen verstond ik niet.

Nachttrein naar Milaan

Gepubliceerd op 5 april, 2016 om 00:00, aangepast op 1 februari, 2017 om 00:00

Ik huurde de benedenverdieping van de Van Eeghenstraat 89 in Amsterdam van Mr. F.E. Frenkel (overleden in 2006) voor het luttele bedrag van 225 gulden. De wc trok niet goed door, maar verder was het een klein paradijsje. Er stond kunst van gevluchte Chileense kunstenaars, die, zo had ik via via opgevangen, zich daar ook van het leven hadden beroofd.

Op een zaterdagmiddag in 1992 verscheen Wim Brands. Hij ging aan tafel zitten en liet me een column voorlezen uit Boekblad waarin ik uitlegde waarom ik uitgever was geworden. Daarna ging Brands naar de wc. Ik hoorde hem drie keer doortrekken. Ik schaamde me, maar toen hij terugkwam, zei Brands niets over de wc, hij stelde voor dat ik een verhaal zou komen voorlezen in het programma Music Hall. Dat programma werd toen live uitgezonden vanuit Café Eik en Linde, als ik me niet vergis.

Na een keer iets te hebben voorgelezen mocht ik terugkomen. Brands gaf me opdrachten, zoals: ‘Schrijf een verhaal over een mondharmonica.’

Indertijd was ik verliefd op Hanne L., misschien had ik daardoor de neiging af en toe nogal wijdlopig te zijn. Ik dacht: hoe langer ze me hoort voorlezen, hoe groter de kans dat ze mijn liefde beantwoordt. Brands zei echter: ‘Als je over de zeven minuten heengaat, breek ik je gewoon af.’ (Het is op een zoen na nooit wat geworden tussen Hanne L. en mij.)

Na afloop van die voorleessessies was ik meestal zo dronken dat ik in de tram op weg naar huis in slaap viel. Misschien was dat wel de reden dat Wim – ik geloof dat dat het moment was dat Brands echt Wim werd – tegen me zei: ‘Je moet eens bij mij komen eten. Mijn vriendin dacht dat ik dozen sjouwde voor de VPRO toen ik haar leerde kennen en mijn zoon heet Jim. Ik vond dat hij een naam moest hebben waarmee je ook vuilnisman kon worden.’

Dat soort opmerkingen fascineerde me, dat je erover nadacht dat je zoon ook vuilnisman moet kunnen worden. Ook zei Wim: ‘Ik kan ook onmogelijk zijn en dan zegt mijn vriendin: “En nou wegwezen.”’

Ik kwam bij hem eten. Hij woonde toen in de Polanenbuurt. Ik wachtte de hele avond tot zijn vriendin zou zeggen: ‘En nou wegwezen.’ Niet uit leedvermaak, maar om te weten hoe dat ging. Maar het gebeurde niet, de avond verliep rustig en ordentelijk.

In mijn herinnering was het die avond dat Wim voorstelde dat ik interviews ging maken voor het boekenprogramma van de VPRO-radio. Dat deed ik. Ik kreeg een cassetterecordertje in een plastic tas en daarmee reisde ik door het land om schrijvers te interviewen, veelal mindere goden, maar voor mij waren de mindere goden toen ook grote goden.

In Hilversum werd ik toegesproken door Wim Noordhoek, die zei: ‘De mensen willen het motief van de misdaad weten.’ Waardoor ik lang heb gedacht dat dat de kern van het interview is: de misdaad en het motief. Wat misschien ook wel zo is. Brands zei: ‘Dat is Noordhoek, de mensen verzinnen het motief er zelf wel bij.’

Vaak had ik het in die tijd met Wim over Nico Slothouwer, hij was een dichter van wie we allebei veel hielden. Ik hield vooral van zijn proza, hoewel hij niet veel proza had geschreven. In het uur van de wolf, ergens tussen 4 en 5, had Slothouwer zelfmoord gepleegd.

Ik mocht van Wim, Menno Wigman interviewen, die het verzameld werk van Slothouwer had bezorgd, Liefdesstratenplan. Een van de verhalen van Slothouwer begint met een romantisch scenario: een meisje met wie de dichter per nachttrein naar Milaan wenst te reizen. Het eindigt ermee dat de dichter thuis de telefoon nooit meer opneemt.

Met Wim had ik het vaak over die nachttrein naar Milaan, die symbool stond voor alles waarop een mens zijn hoop kan richten.

In 1994 kwam mijn roman Blauwe maandagen uit, in 1995 ging ik naar New York. Ik werkte nog voor het radioprogramma De Avonden, maar het contact met Wim veranderde, ik denk omdat we allebei veranderd waren. We hadden het nooit meer over de nachttrein naar Milaan.

Op een gegeven moment werd Noordhoek degene die me belde voor De Avonden. Dat vond ik stiekem prettig. Het contact met Noordhoek was makkelijker, misschien ben ik gewoon niet zo goed in vriendschap.

Op 23 februari 2014 schreef Wim Brands: ‘Ik denk dat we een keer moeten gaan eten Arnon, niet zo’n diner dat een hele avond in beslag neemt maar een uitsmijter, of eet jij geen uitsmijters meer?’

Het is er niet meer van gekomen. Hoewel ik nog wel uitsmijters eet, zij het niet meer regelmatig.

Toen ik hoorde dat Wim zich van het leven had beroofd opende ik de website van de Deutsche Bahn. Ik wist het al, maar wilde het voor de zekerheid nog even controleren. De nachttrein naar Milaan rijdt niet meer.

Maar er rijden nog nachttreinen. Niet veel meer, een paar nog.

Ik voelde de acute behoefte een nachttrein te nemen. Naar het zuiden. Alsof ik alleen zo iets van mijn jeugd, waarin Wim Brands zo’n belangrijke rol heeft gespeeld, kon behoeden voor de ondergang.

 

Deze herinnering aan Wim Brands werd op dinsdag 5 april op de website van Vrij Nederland gepubliceerd en werd met toestemming van Arnon Grunberg doorgeplaatst. De foto van Brands werd gemaakt door Merlijn Doomernik.

Blijf op de hoogte

Volg onze sociale media voor het laatste nieuws: