Als je van beren leren kan (Robert van Munster)

Als je van beren leren kan (Robert van Munster)

Guest

Mama maakt mij wakker. 'Joris, wakker worden,' zegt ze nog een keer, 'we gaan weg.' Herman is al wakker en staat naast mama met zijn kleren aan. 

'Papa blijft hier,' zegt Herman, hij heeft een hand van mama vast. Ik stap uit bed en heb mijn kleren ook al aan. Beneden zie ik papa in bed liggen, hij slaapt. Mama pakt mijn hand vast. 'Kom mee naar de auto,' zegt mama. We stappen met zijn drieën in. De deuren trekken we dicht en ze maken geen geluid. Mama start de auto en rijdt de schuur uit. Herman en ik zitten achterin. 'Ik heb wel zin om te verhuizen,' zegt Herman. Door de voorruit zien de bomen er geel uit, achter ons zijn ze rood. Mama kijkt achterom en lacht. 'We zijn er bijna,' zegt mama en kijkt naar voren, 'hier de hoek om,' ze remt, 'we zijn er.' We stappen tegelijk uit en de deuren vallen met een klap dicht. De lampen van de auto staan nog aan en verlichten een klein huisje. Over de muur groeit een klimop. Het grasveldje voor het huis is heel groen. Grote tegels lopen van de auto naar de voordeur. We lopen naar het huisje, ik mag voorop. Ik duw de voordeur open en er klinkt een belletje. Het is lekker warm binnen. 'Toe maar Joris,' zegt mama, 'kijk eens waar we nu wonen.' Ik loop door de gang naar de woonkamer. Op de bank zit papa. 'Hallo knul.' Ik schrik wakker.

Met mijn broertje zit ik achter de donkerrode houten kast, onder het schuine dak op de overloop. Hier, tussen de dekens en dekbedden zijn we veilig. Herman ligt bovenop een deken en slaapt met zijn duim in zijn mond. Ik kijk vanaf de achterkant van de kast door een kier naar de overloop, mijn handen leunen op de ruwe houten plaat. De achterkant van de kast zit los. Ik pak de dunne plaat vast en trek eraan. Hij komt verder en verder van de achterkant af en de spijkertjes komen langzaam uit het hout. Ik trek de plaat zo ver van de kast af, dat ik in de kast kan kijken. Er liggen een paar dozen in, twee blikken en een paar mappen. De mappen zijn fotoboeken, de ruggen liggen naar de deuren van de kast toe, waardoor ik niet kan zien van wie de foto's zijn. Tussen de dozen ligt een bordspel. Ganzenbord. Ik vind dat spel helemaal niet leuk, toch trek ik het uit de kast. Met mijn arm schraap ik per ongeluk langs een spijkertje. Er staat een dunne witte streep op mijn arm. Het doet niet echt zeer. Ik maak Herman wakker.
'Wil je ganzenborden?' vraag ik. Herman schudt zijn hoofd.
'Wat wil je dan doen?' Hij haalt zijn schouders op. 'Dan kunnen we toch net zo goed een spelletje doen,' zeg ik.
'Goed,' zegt Herman. Ik leg het spelbord neer en pak de dobbelsteen. Herman is de groene gans en ik de rode.
'Begin jij maar,' zeg ik. Hij pakt de dobbelsteen op en gooit een drie.

Toen ik drie was heeft papa mij een keer met kinderstoel en al in de voorraadkast gezet. Zodra de deur dicht was, ging het licht ook uit. Ik hoorde de sleutel het slot dichtdraaien. Mama zei tegen papa dat dit echt niet kon. Ik weet niet meer wat papa zei, maar opeens moest mama huilen. Ik hoorde voetstappen die steeds verder van mij af waren en toen was het stil en donker. Mijn ogen wenden langzaam. Ik leunde voorover en zag licht onder de deur vandaan komen die de poten van de kinderstoel verlichtten. Wat er allemaal in de kast stond werd langzaam zichtbaar. Langs de wand stond een stofzuiger, de stekker zat nog in het stopcontact. Daarboven waren planken gemaakt en daarop stonden spullen, zoals een pak suiker en spaghetti. Op de bovenste plank stonden twee blauwe houders voor cassettebandjes. Daarnaast stond een cassettespeler. Ik klom uit de kinderstoel en stond er bovenop, zodat ik naar de bandjes kon kijken. Het waren dezelfde namen van de bandjes die ook in de auto lagen van mama, zoals John Denver en Simon & Garfunkel. Ik hoorde voetstappen mijn kant op komen en ging snel in de stoel zitten. De sleutel werd omgedraaid en mama deed de deur open. Ze haalde me uit de stoel, gaf me een kus en zette de stoel weer in de keuken. Samen liepen we naar de kamer. Papa zat op de bank met Herman.
'Kom maar lekker bij mij zitten, knul,' zei papa. Ik ging naast hem zitten. Hij sloeg zijn arm ook om mij heen en gaf een kus op mijn hoofd.

Mijn arm tintelt een beetje op de plek van de kras en ik sta al de hele tijd bij het einde met ganzenbord. Telkens gooi ik niet wat ik nodig heb. Herman is nu ook in de buurt. Hij moet vijf gooien. Ik drie. Ik gooi vier en hij gooit vijf. Hij zegt niks, maar schuift weer iets naar achteren en leunt achterover tegen het dekbed. Ik ruim de spullen op.

Herman trekt zich eigenlijk nooit wat aan van papa. Hij blijft gewoon voor zich uit kijken of trekt zijn schouders op en gaat weer verder met spelen. Als papa begint met schreeuwen, dan kijkt Herman hem de hele tijd aan en reageert niet. Dat maakt papa boos. 'Geef eens antwoord als ik tegen je praat,' schreeuwt hij dan. 'Herman, ik zeg het niet nog een keer.' Vaak zegt hij het nog wel een keer of meerdere keren. Herman zegt dan niets. Een keer was het in de keuken.
We zaten samen aan tafel en we aten spaghetti. Herman wilde niet eten, omdat er champignon in de spaghetti zat. Papa zei dat Herman moest eten, zijn hele bord moest leeg. Herman schudde alleen zijn hoofd. 'Waarom niet,' vroeg papa. Herman haalde zijn schouders op. Hij had zijn vork nog niet aangeraakt. Papa legde zijn lepel neer, best hard, want ik schrok toen hij dat deed. Herman niet. Papa werd boos en schreeuwde. 'Geef eens antwoord als ik tegen je praat!’ Herman gaf geen antwoord. Mama was stil. Papa stond plotseling op, pakte het bord en gooide het richting het aanrecht. Het kwam tegen de muur en spatte uit elkaar, de spaghetti plakte tegen de muur en droop naar beneden. Mama en ik schrokken heel erg. 'Naar boven!' schreeuwde papa. Herman klom van de stoel en ging naar boven.
Toen ik naar boven ging om te slapen, was Herman nog wakker. Ik vroeg waarom hij niets zei tegen papa. 'Omdat hij schreeuwde,' zei Herman. Ik begreep hem niet.
'Dan moet je toch juist iets zeggen,' zei ik.
'Nee,' zei Herman, 'hij zei dat ik antwoord moest geven als hij tegen me praat. Maar hij schreeuwde.' Daar had hij eigenlijk wel gelijk in.

Herman slaapt, zijn duim zit weer in zijn mond. Zijn gezicht ligt richting de opening gedraaid tussen de zijkant van de kast en de muur. Zijn kleine voeten zitten in dikke sokken. Hij heeft een tuinbroek aan. In het vakje op zijn borst bewaart hij een blauw legosteentje. Dat is zijn lievelingskleur. Zijn dikke trui maakt van hem een stoer mannetje, dat zegt mama altijd.
Het ruikt hier muffig. Een beetje zoals bij oma Dordrecht. Zij woont in Dordrecht in een appartement met een heleboel Perzische tapijten. Mama struikelde er een keer over. Al die tapijten die niet meer schoon te maken zijn, omdat er te veel over elkaar liggen waar vooral de thuiszorg overheen loopt, want oma Dordrecht loopt niet meer zo veel.
Herman en ik hadden oma Dordrecht verteld dat we gingen sparen voor een spelcomputer. Kort daarna kregen we allebei honderd gulden. Toen waren we snel klaar met sparen.
Met het geld kochten Herman en ik de Super Nintendo met Super Mario World. Ik ben altijd Mario, want mijn lievelingskleur is rood en Herman Luigi, omdat Luigi ook het broertje is.

Papa heeft een tuinarchitectenbureau. Het is een grote boerderij, naast onze boerderij. Van onze voordeur naar de andere deur duurt vijftien stappen voor papa en achttien voor mij. Wij mogen daar ook wel eens naar binnen. Ik speel daar soms een spelletje op de computer. Je moet dan een puzzel maken, met stukjes zet je een plaatje van een vrouw in elkaar. Als je die af hebt verdwijnen langzaam haar kleren en heeft ze alleen nog een onderbroek aan. 
Soms mag ik tekenen aan de tekentafel. Het is een grote witte tafel, waar twee linialen aan vast zitten aan een ding waardoor ik het kan bewegen. Ik teken dan plattegronden, van bijvoorbeeld ons huis of alleen mijn kamer. De plek achter de kast teken ik nooit, want papa wil altijd mijn tekeningen bekijken. Daarom teken ik de kast tegen een vlakke muur aan. Hij heeft nog nooit gezegd dat het niet klopt.

Ik hoor ergens geluid vandaan komen. Herman hoorde het ook. Hij blijft op de dekens zitten. Ik kruip naar de zijkant van de kast en spiek richting de overloop. Daar zie ik niks. Het geluid wordt luider. Ik weet niet zo goed of het van boven of onder ons komt.
'Hoor jij waar het vandaan komt?' fluister ik. Herman knikt.
'Waar dan?'
'Van boven,' zegt Herman. Ik kruip een stukje naar achteren, zodat ik goed bij de onderkant van het schuine dak kan. Ik wacht totdat ik het geluid nog een keer hoor. Dan klop ik tegen het dak. Het gekras stopt meteen. Herman en ik zijn allebei stil. Het gekras begint weer en ik klop nog een keer tegen het dak. Er klinkt wat gerommel en dan getjilp.
'Dat dacht ik al,' zegt Herman.

Op mijn vijfde heb ik een bril gekregen. Ik zette de bril op en zei: 'deze doe ik nooit meer af.' Herman heeft ook een bril gekregen, al op zijn vierde. Bij ons allebei is het een spierafwijking. We kunnen wel scherpstellen, maar dat kost moeite. Als we dat een hele dag moeten doen, dan krijgen we een flinke hoofdpijn. We moesten ook een paar keer naar het ziekenhuis voor oogdruppels. Ik weet niet waarvoor het was. Na het druppelen konden we een tijdje niks zien, vooral niet in de zon. Mama hield ons dan vast en hand in hand liepen we naar de auto toe.

Vandaag hadden Herman en ik Super Mario World gespeeld. De Nintendo staat op de slaapkamer van papa en mama, want daar staat ook een televisie. We zitten op de grond met onze ruggen tegen het voeteneinde van het bed. We hadden wat snoepjes gepakt en die opgegeten. De papiertjes legde ik naast me neer. Dat ruim ik straks wel op, dacht ik. Ik speelde het level van het spookhuis. Als je naar de spoken kijkt, dan doen ze hun ogen dicht en bewegen ze niet. Als je met je rug naar ze toe staat, dan gaan hun ogen open en komen ze naar je toe zweven. Papa kwam binnen en keek rond door de kamer. Ik keek even naar hem en hij had zijn ogen dicht, toen ik naar de tv keek verdween hij. Ik sprong met Mario naar de vlag en had het level gehaald. Papa kwam weer binnen. In zijn handen hield hij zakken chips vast en zakken met snoep. Hij gooide alle snoepzakken voor ons neer op de vloer.
'Hier,' schreeuwde hij, 'vreet dit dan ook maar op!' Daarna liep hij de kamer weer uit en gooide de deur dicht. Het glas in de deur rammelde. Herman en ik keken naar elkaar. Hij zei niks. Hij stak zijn hand uit naar mij, naar de controller. Hij was inderdaad aan de beurt.

Papa heeft achter ons huis een grote tuin met een heleboel planten voor het bedrijf. Bij alle planten staan bordjes in de aarde met de naam hoe ze heten. Het zijn wel acht of tien lange rijen met planten en bloemen. Herman en ik hadden een keer de kaartjes van alle planten verwisseld. Elke plant had een andere naam gekregen.

We waren een tijdje terug naar de première van 101 Echte Dalmatiërs geweest. Er zaten allemaal echte dalmatiërs in de zaal. Gelukkig waren alle honden stil tijdens de film. Na de film gingen we naar McDonald's. We bleven in de auto zitten en bestelden het eten bij een mevrouw die via een paal met ons praatte. Op de snelweg waren we de patatjes aan het eten en opeens remde papa heel hard. Er vlogen wat frietjes door de auto. Papa heeft toen mama, Herman en mij uit de auto gezet. We klommen over de vangrails. Mama moest Herman helpen, want een vangrail is best wel hoog. Eerst liepen we een stukje langs de snelweg. Papa reed heel langzaam mee en zei dat we weer in moesten stappen. Mama wilde dat niet en toen reed papa weg. Het was al donker en verderop brandde licht. Om daar te komen, moesten we door een weiland lopen. Er stonden een paar koeien die ons al kauwend aankeken. Ik zwaaide nog naar een koe en hij snoof terug. Een andere koe ging poepen terwijl we langsliepen. Ik denk dat Herman daar wel om had kunnen lachen, maar mama droeg hem en hij sliep. We kwamen aan bij een café. Daar mochten we een taxi bellen. De taxi heeft ons naar huis gebracht. Papa liet ons eerst niet naar binnen. Nadat mama had aangebeld, op het raam had geklopt en op de deur en daarna weer op het raam, mochten we wel naar binnen.

Herman wil achter de kast vandaan gaan. Ik denk dat hij wel gelijk heeft, dat het nu wel kan.
'Oké,' zeg ik, 'laten we gaan kijken.' Ik kruip als eerste achter de kast vandaan. Op de overloop is het donker. Herman kruipt ook achter de kast vandaan. We staan op de overloop voor het trapgat en weten niet zo goed wat we nu moeten. Meestal horen we de televisie wel aan staan vanaf hier en betekent het dat papa op de bank ligt. Nu horen we geen televisie. We lopen eerst naar onze kamer. De lego staat er nog, zoals Herman en ik het achter hebben gelaten toen we gingen eten. We lopen verder de kamer in om bij de bedden te kijken. Die staan achter een muur, waar een gat in zit zonder deur. Ook hier is papa of mama niet. Terug bij het trapgat lopen we naar beneden. Het is heel stil in huis. De deur rechts naar de woonkamer staat op een kier. Er komt geen licht vandaan. In de linkerdeur naar de slaapkamer van papa en mama zit glas. Ik kijk om de hoek en zie niemand. Ik hoor het gesnuif van Herman die met zijn duim in zijn mond achter mij staat. Dan gaan we naar de woonkamer. De bank waar papa op ligt is nu leeg, de televisie is uit en de lampen ook. Herman en ik lopen door naar de keuken. Er is helemaal niemand.
Via de bijkeuken lopen we naar de schuur. De auto staat er nog. Herman en ik stappen in onze klompen en gaan naar buiten. Het is te koud om zonder jas buiten te zijn. De auto van papa is weg.
'Waar zou papa heen zijn?' vraag ik aan Herman.
'Weet ik niet,' zegt Herman en hij haalt zijn schouders op.

In huis gaan we op de bank zitten. We wachten. Mama of papa zal vanzelf weer thuis komen. De klok geeft tien over twaalf aan.
'Ben je al moe?' vraag ik Herman, hij schudt zijn hoofd. 'Zal ik je naar bed brengen?' Hij knikt en schuift van de bank af. Ik loop met hem mee naar boven. Hij legt zijn bril op het nachtkastje, kleed zich uit, doet zijn pyjama aan en klimt in bed. Ik trek zijn dekens goed.
'Welterusten,' zeg ik.
'Trusten.'
Hij heeft zijn ogen dicht en slaapt bijna meteen. Zijn hand ligt naast zijn hoofd op het kussen, de duim wijst naar zijn mond. Ik ga naar beneden. In de lucht zijn veel sterren te zien. Over de straat rijdt een auto, ik zie alleen de koplampen. Het lijkt alsof de bestuurder telkens de lampen aan en uit doet, maar het zijn de bomen waar hij achterlangs rijdt.

Uit de koelkast in de keuken pak ik de fles ranja. Op de tafel staan onze borden nog met het bestek er omheen. Twee pannen staan midden op tafel. In eentje zijn de aardappelresten nog te zien met slierten andijvie. Mama maakt altijd te veel stamppot andijvie, dat is mijn lievelingseten. In de andere pan zit nog een stuk worst die in een laagje jus ligt. Ik heb al een tijd niet meer gedronken. Ik zet de kraan aan om het water koud te laten worden. In de gootsteen liggen witte stukjes steen en klodders stamppot andijvie. De gestampte aardappels worden door het water uit elkaar getrokken en verdwijnen in het putje, samen met twee slierten andijvie. Het glas met ranja houd ik onder de kraan. Ik drink het glas in een keer leeg en loop naar de voordeur. In de gang pak ik de sleutelbos van het haakje en draai de voordeur op slot. De deur van de bijkeuken draai ik ook op slot. Zo kan er niemand meer naar binnen. De sleutels stop ik in mijn broekzak.

Het is half twee, ik sta op van de bank en loop naar boven. In de kamer van Herman en mij pak ik de stoel bij het bureau weg en zet die tegen de deur met de rugleuning onder de deurklink, zodat de deur niet meer open kan. Ik loop naar de bedden. Herman ligt met zijn rug naar mij toe. Ik buig over hem heen en hoor zijn gesnuif. Zijn duim zit in zijn mond en hij slaapt. Ik trek mijn pyjama aan en stap in bed. Ik lig op mijn rug en kijk naar het plafond.

 

Robert van Munster (29, Arnhem) is tweedejaarsstudent Creative Writing aan ArtEZ. Hij schrijft voornamelijk korte verhalen, maar toneel en poëzie worden zeker niet geschuwd. Samen met Randy van Ee is hij pas een website gestart waar zij literaire experimenten of hoogstandjes op posten, te vinden op denaregeit.nl.


Gepost in: proza op 2016-03-29

Door Guest

Blogs geschreven door gastbloggers...


Ook van Guest

Lees Jilt Jorritsma's essay 'Onthoofd', bekroond met de Joost Zwagerman Essayprijs 2018

Lebowski-talentpooler Jilt Jorritsma wint de eerste Joost Zwagerman Essayprijs! Lees hieronder zijn indrukwekkende essay waarvan de aanleiding de beeldhouwwerken van Rodin waren die in het World Trade Center-puin gevonden werden. 


Inbreken in een schuur (Jeroen Blankert)

Jeroen Blankert put iedere week uit het nieuws, maar wel vrij onbelangrijk nieuws.
Vandaag: Aan de Wederiktuin in Breda heeft de politie maandagnacht twee inbrekers opgepakt op verdenking van een inbraak in een schuur. 




recente posts