De man in het hoge kasteel (voorwoord Ursula K.  Le Guin)

De man in het hoge kasteel (voorwoord Ursula K. Le Guin)

Philip K. Dick

De oorspronkelijke versie van De man in het hoge kasteel werd eind 1962 uitgegeven, dus vóór het tijdperk dat wij de sixties noemen en lang voordat men sciencefiction ging beschouwen als een literair genre

Toen het boek verscheen, ging dat gepaard met een geur van kruitdamp; er hing een zweem van revolutie omheen. Het boek speelde dan ook een rol zowel in de deconstructie van het conventionele denken die zou leiden tot de sociale omwentelingen van de jaren zestig en zeventig, alsook bij de afbrokkeling van de schutting die de critici hadden opgetrokken tussen realistische fictie en fictie in ruimere zin.

Aangezien in die tijd slechts weinig recensenten weleens een blik over die schutting wierpen, werd uitsluitend in kringen van liefhebbers van sciencefiction substantiële aandacht aan de roman besteed. Er waren ook wel lezers van buiten die kringen, maar de roman kon door critici makkelijk worden afgedaan als een ‘cult’-boek, wat ze beschouwden als een geringschattende term die hun goed uitkwam. In Blade Runner, de film uit 1982 die in naam gebaseerd is op Dicks roman Do Androids Dream of Electric Sheep?, worden de intelligente opzet en de complexe ethiek van het verhaal grotendeels opgeofferd ten faveure van sensationele effecten en brute actie, maar het succes ervan bezorgde Dick wel een zekere naamsbekendheid. In de jaren negentig groeide er bij een literaire kritiek die beter geïnformeerd en ruimdenkender was meer waardering voor de ongebreidelde energie en de verontrustende kracht van De man in het hoge kasteel.
Al maakt het verhaal soms een onbeholpen en obscure indruk en is het volslagen onvoorspelbaar – omdat de ontwikkelingen letterlijk worden bepaald door de toevallige uitkomst van worpen met munten of duizendbladstengels, terwijl de drijfveren van de personages toch rationeel en moreel zijn –, het boek blijft zowel de kritische analyticus als de gewone lezer fascineren. Misschien is het wel te beschouwen als de eerste grote, blijvende bijdrage van de sciencefiction aan de Amerikaanse literatuur.

In de opzet van het verhaal, een ‘alternatieve geschiedenis’, hebben feitelijke, vertrouwde omstandigheden op aarde een transformatie ondergaan zonder dat er nieuwe technieken of buitenaardse wezens aan te pas zijn gekomen, waardoor mensen die bang zijn voor sciencefiction er zeker van kunnen zijn dat ze het boek net zo onbekommerd kunnen lezen alsof het een historische roman was, wat in dit geval echter zowel een misvatting als een valstrik is: de auteur was in beide genres een meester. Zijn omkering van de uitkomsten van de Tweede Wereldoorlog mag historisch gezien niet erg geloofwaardig lijken, als fictie is het verschrikkelijk overtuigend. Wie dit boek leest, kan zich niet onttrekken aan een visioen, een desoriënterende nachtmerrie waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Sinds 1963 heb ik het schrikbeeld niet meer van me af kunnen zetten dat de nazi’s het oosten en de Japanners het westen van de Verenigde Staten zouden hebben bezet. En ook achtervolgt me de verschrikkelijke hersenschim van Afrika als doodstil kerkhof.

Philip Kindred Dick, die een jaar ouder was dan ik, bracht zijn tienerjaren door in de stad waar ook ik ben opgegroeid, Berkeley. We deden allebei in 1947 eindexamen aan Berkeley High School. Dat de school meer dan drieduizend leerlingen telde kan als verklaring dienen voor het feit dat ik zijn naam niet kende, al is daar ook iets raars mee. Van alle mensen die bij ons op school hebben gezeten die ik gesproken heb, kan niemand zich hem herinneren. Is hij een absolute eenling geweest, of langdurig ziek misschien, of volgde hij maar een aantal vakken in plaats van het gewone klassikale onderwijs? Zijn naam is terug te vinden in het jaarboek, maar er staat geen foto van hem bij. Het is in het leven van Dick niet anders dan in zijn verhalen: de realiteit lijkt hem door de vingers te glippen en verifieerbare feiten blijken uiteindelijk slechts discutabele beweringen of loze kwalificaties te zijn.
Veel later in ons leven hebben hij en ik gedurende enkele jaren met elkaar gecorrespondeerd. En daarbij was schrijven altijd het onderwerp: hij wist hoezeer ik zijn werk bewonderde. We hebben elkaar twee of drie keer telefonisch gesproken, maar elkaar nooit ontmoet.

Amerikaanse schrijvers van het mannelijk geslacht van onze leeftijd – die net te jong waren om in de oorlog in dienst te hebben gemoeten – deden vaak nogal wat moeite om vooral maar mannelijk te lijken, onder andere door baantjes aan te nemen als houthakker, op vrachtschepen, door te jagen, te liften, door een zwervend bestaan te leiden, enzovoort. Phil Dick niet. Nadat hij heel kort bij een universiteit ingeschreven had gestaan, heeft hij een tijdje in een platenzaak aan Telegraph Avenue gewerkt. Hij is vijf keer getrouwd geweest. Verder is het moeilijk te achterhalen wat hij behalve schrijven nog voor andere dingen heeft gedaan. Schrijven was van meet af aan zijn roeping. Hij heeft heel hard gewerkt om ervan te kunnen leven, en daarbij ondervond hij weinig bemoediging vanuit de uitgeverswereld. Net als veel andere schrijvers in het westen van het land had ook hij weinig contacten in de vooral in het oosten gevestigde literaire wereld en kon hij bij zijn zoektocht naar een uitgever alleen maar vertrouwen op zijn eigen vasthoudendheid en geluk. Het literaire agentschap Scott Meredith accepteerde zijn eerste romans (in de jaren vijftig geschreven conform de realistische canon), maar stuurde ze alle vijf als zijnde onverkoopbaar terug in 1963, het jaar nadat De man in het hoge kasteel was uitgekomen. Slechts één van die romans is nog bij zijn leven uitgegeven, al zijn ze nu wel allemaal verkrijgbaar en hebben ze hun bewonderaars. Ik ben van mening dat hij, doordat hij er niet in slaagde ze uitgegeven te krijgen – wat misschien voor hem een hard gelag was, maar waarmee wij ons gelukkig mogen prijzen – gedwongen was afstand te nemen van het sombere realisme van de jaren vijftig en een grotere rol toe te kennen aan de verbeelding, waardoor hij meer zijn eigen weg kon gaan.

Bij zijn geboorte had hij een tweelingzusje, dat echter al na zes weken stierf. Hij sprak en schreef over deze gang van zaken alsof hij daarbij uit zijn geheugen putte, en soms leek hij te suggereren dat zijn zus in hem voortleefde. Tweelingen, dubbelgangers en schaduwbeelden komen veel voor in zijn werk. Hij was een man in wie onvergelijkbare en mogelijk onverenigbare trekken huisden, zozeer zelfs dat hij zowel onzeker van zichzelf als overmatig assertief was als het om zijn identiteit ging. Men verweet hem algauw onbetrouwbaarheid en dubbelhartigheid, al was hij daarin niet berekenend of op eigen voordeel uit. In zijn leven als schrijver werd de persoonlijkheid die hij hoopte te kunnen zijn – de conventionele, gerespecteerde en succesvolle auteur van literaire romans – de onproductieve schaduwfiguur. De realiteit leek te zijn dat hij de auteur was van pulpromans, de sciencefictionschrijver die vanwege het geld zo snel als hij kon zijn teksten produceerde.

Er zijn bekende auteurs als Hemingway die er prat op gaan alleen voor het geld te schrijven, en aan de andere kant zijn er obscure schrijvers die het doen omdat het nu eenmaal hun werk is. Alleen deze laatste categorie geniet mijn respect. Je brood verdienen met schrijven valt niet mee, het is een beroep dat veel vaardigheden vereist en dat bijna altijd een gering of onzeker inkomen oplevert. Voor een ongewoon getalenteerde schrijver kan het een slavenbestaan zijn. Daar staat tegenover dat, net als bij elk ander ambacht of elke andere kunstvorm, de serieuze beoefenaar beloond wordt met de wetenschap dat hij het uiterste uit zichzelf heeft gehaald, en soms kan hij er wellicht ook de innerlijke zekerheid aan ontlenen dat wat hij gedaan heeft niet te verbeteren is. Een vast element in veel van Dicks beste werk, en zo ook in deze roman, is het diepe respect voor de oprechte, bescheiden ambachtsman. Dat is hij lange tijd ook zelf geweest. Ik weet niet of hij zich in de harde jaren vijftig ten volle bewust was van de hoge kwaliteit van een deel van zijn in de pulpbladen gepubliceerde fictie. Hij heeft zeker geworsteld met de in de markt geldende lage kwaliteitsnormen en de eis om steeds weer nieuw materiaal te leveren, maar hij is altijd op zoek geweest naar zijn eigenheid, die hij met wisselend succes vond, totdat hij met De man in het hoge kasteel op een goudader stuitte.
Het boek werd bekroond met de Hugo Award, toegekend op een bijeenkomst van in sciencefiction geïnteresseerde lezers, schrijvers, redacteuren, uitgevers en agenten. Toch was de SF-gemeenschap geneigd hem te beschouwen als niet meer dan een harde werker, niet echt een ster. Dit kan gelegen hebben aan zijn gebrek aan standing bij uitgevers en redacteuren, misschien doordat hij zo anders schreef dan de gevestigde, succesvolle auteurs van het zogenaamde ‘gouden tijdperk van de SF’, mensen als Robert Heinlein en Isaac Asimov, die gedurende vele jaren in het genre de toon hebben gezet en het denken erover hebben gedomineerd. In tegenstelling tot hen werd Dick soms verweten dat hij literatuur schreef. De ‘ouwe jongens’ en ‘jonge techneuten’ van het genre waren net zo bekrompen als de doorsnee literatuurprofessor – vooroordelen en pogingen tot uitsluiting alom.
Maar veel sciencefictionschrijvers van Dicks generatie en daarna waren bezig met de creatie van wat de New Wave werd genoemd. Het was eigenlijk niet één golf, maar een opeenvolging van golven, die uiteindelijk uitgroeide tot een vloed die de kunstmatige grenzen van het genre overstroomde en het onvermijdelijk weer verenigde met de ‘zee van verhalen’, het geheel van alle literaire fictie, waarvan het door literatuurkritiek en kleingeestigheid binnen het genre tientallen jaren lang gescheiden was geweest. Ik weet niet in hoeverre Phil Dick zichzelf beschouwde als lid van de groep die deze golf veroorzaakte. Ik denk dat hij zich van geen enkele groep of broederschap lid heeft gevoeld. Waar het hem om ging, was het ontwikkelen van een eenmansvisie, zich over te geven aan een engel die alleen tot hem sprak.

Toen in de jaren zeventig het gebruik van softdrugs gewoon werd en voor sommigen zelfs uit sociaal oog punt verplicht en men de hang naar mystiek van die tijd liever niet via doelgerichte discipline trachtte te verwezenlijken, maar door chemische beïnvloeding, werden enigszins labiele personen soms ernstig uit hun evenwicht gebracht door onoordeelkundig ingenomen hallucinogenen. Ik heb een herinnering aan een telefoongesprek met Phil van een jaar of veertig geleden, waarin hij me vertelde over een gesprek dat hij had gevoerd met Johannes de Evangelist, in het Grieks nog wel, een taal waarmee hij onbekend was. Hij was ontwapenend in zijn oprechte vreugde om het onderricht dat hij van deze heilige zelf had mogen ontvangen en zijn overtuiging van het immense belang hiervan.
Na 1969 werden Dicks denken en fictie in toenemende mate beheerst door dit soort occulte openbaringen. Ze werden soms door anderen even serieus opgevat als door hemzelf, maar mij zijn geen succesvolle pogingen bekend – ook in zijn eigen Exegesis niet – om er een coherent geheel van te maken. Sommige van zijn bewonderaars menen dat de groter wordende invloed van zijn mystieke inzichten en ervaringen op zijn werk als positief moet worden beschouwd, of zelfs als transcendentaal, zodat dit van dezelfde orde zou zijn als de mystieke werken van William Blake. Anderen vinden zijn inzichten onwezenlijk en zijn visioenen te chaotisch om op een succesvolle manier hun weerslag te vinden in zijn werk. Ik voor mij zie ze als invloeden die hem meesleepten in een fantastisch, manisch solipsisme, waardoor hij steeds verder verwijderd raakte van zijn uitzonderlijke gevoeligheid voor gewone mensen en hun alledaagse zielenleed die ik in zijn romans zozeer waardeer.

Een dergelijke gevoeligheid moet een last voor hem zijn geweest. Ik vraag me af of de figuur van meneer Tagomi in De man in het hoge kasteel een beeld geeft van de complexe persoonlijkheid van de auteur. Meneer Tagomi is een doodgewone, conventionele, beperkte, redelijk fatsoenlijke man van middelbare leeftijd, die gedwongen wordt getuige te zijn van pure menselijke slechtheid en daarmee in het reine probeert te komen. Hij staat in zijn angsten, zijn moed en zijn vernedering al net zo ver af van heldhaftige kosmonauten met dodende stralen als van antihelden met seksuele problemen in Upper Manhattan. Misschien heeft het woord ‘held’ inmiddels afgedaan, net als het woord ‘lady’. We hebben een ander woord nodig, een betekenisvoller, minder opzichtig en expressiever woord voor mensen als meneer Tagomi.

Phil Dicks taalgebruik is transparant, alledaags en vaak nogal vlak. Hij vermijdt gecompliceerde grammaticale constructies en gebruikt geen bijzondere woorden, afgezien van af en toe een flinke scheut jungiaans of andersoortig specialistisch jargon. De ongeschreven wetten van de sciencefiction in de jaren vijftig en zestig decreteerden dat stijl iets was voor snobs. Echte SF-auteurs schreven het op zoals het was (al hadden ze het allemaal verzonnen). Dick zou door deze instelling beïnvloed kunnen zijn, maar onder zijn ogenschijnlijk directe, onmuzikale, journalistieke schrijfstijl gaat iets subtiels en geraffineerds schuil. De Fransen hebben Dick veel eerder ontdekt dan de Engelssprekende critici en schreven al diepgravende artikelen over hem toen hij zich bij ons nog in leven moest zien te houden met wat de pulpbladen hem betaalden. De Fransen waren ook dol op Edgar Allan Poe, en ik heb me weleens afgevraagd of dat komt doordat Fransen niet kunnen horen dat de poëzie van Poe vaak met mokerslagen wordt overgedragen. Misschien horen ze dan ook niet hoe lomp het proza van Dick soms kan klinken. Maar het kan ook zijn dat ze daardoor gevoelig zijn voor de riskante en effectieve spanning tussen zijn stijl en zijn onderwerp.

In elk geval maakt Dick in deze roman gebruik van een vreemde telegramstijl. Het verhaal wordt afwisselend verteld vanuit het gezichtspunt van één van de protagonisten, een vertelperspectief dat in de literatuur al sinds de tijd van Henry James overheerst: we vernemen het verhaal via de gedachten van degenen die er een rol in spelen. En personages denken vaak in een stijl zonder lidwoorden en soms zonder voornaamwoorden. Aangezien het meestal gaat om bewoners van de westkust van Noord-Amerika, die onder Japans bestuur staan of zelf Japanner zijn, zou dit een niet erg subtiele poging kunnen zijn om de invloed van het Japans te suggereren. Maar de lezer wordt gedwongen om dat te heroverwegen als hij merkt dat mensen afkomstig uit de door de Duitsers overheerste oostzijde net zo denken, zonder lidwoorden en voornaamwoorden.

Een soortgelijk maar moeilijker te doorgronden raadsel is dat het leven van die geímmigreerde Japanners en hun Noord-Amerikaanse onderdanen diepgaand beïnvloed wordt door het orakel van het Chinese Boek der veranderingen, de I Tjing, die cultureel gezien in Japan nooit erg belangrijk is geweest. En het mysterie wordt nog groter als het gerucht op waarheid berust dat de auteur bij het schrijven van De man in het hoge kasteel elke beslissing omtrent plot en voortgang van het verhaal liet bepalen door dit oeroude orakel.

Deze unieke onverschilligheid wat de aannemelijkheid betreft, de veelheid aan willekeurige mogelijkheden en de toenemende onderlinge afhankelijkheid van wat wel en niet tot de werkelijkheid lijkt te behoren voert ons tot aan de rand van de Dickiaanse afgrond – waar waarschijnlijkheid en onwaarschijnlijkheid niet meer op elkaar aansluiten, evenmin als het authentieke en de imitatie, geschiedenis en bedenksel, het niemandsland van wat er gebeurd is, wat had kunnen gebeuren, wat niet gebeurd is en wat kan gebeuren, een positie die geen positie is, waar je geen vaste grond hebt en nergens van op aan kunt – een psychische draaikolk waarmee Dick in zijn wanhopige verbeelding zeer vertrouwd was en die hij op gewone spreektoon zonder franje en op volstrekt aannemelijke wijze aan de lezer kon presenteren.

Hij deconstrueert de wereld zoals wij die kennen met dezelfde rust als waarmee andere schrijvers een wandeling of een etentje beschrijven.
De gedachten die door het hele boek heen gewijd worden aan historiciteit, aan vervalsing en aan wat nou precies het verschil uitmaakt tussen echt en onecht sturen het verhaal en de gedachten en keuzes van de protagonisten aan. Deze gedachten en de handelingen die daaruit voortvloeien leiden uiteindelijk niet tot een inzicht of een oplossing, maar blijven onbepaald, vitaal, actief. Meneer Tagomi wordt geconfronteerd met een kortdurend visioen van het San Francisco van onze realiteit, de realiteit waarin Duitsland en Japan de oorlog hebben verloren, en dit visioen komt tot stand door de bemiddeling van een simpel metalen sieraadje, gemaakt door een Joodse ambachtsman die voordien zijn geld verdiende met het vervalsen van aan Japanse verzamelaars te slijten Amerikaanse kunstnijverheidsproducten. De man uit de titel van het boek woont niet in een hoog kasteel, maar in een huis in een buitenwijk in Wyoming. Hij is de schrijver van een sciencefictionroman, een alternatief geschiedverhaal waarin Duitsland en Japan de oorlog hebben verloren. De titel van dat boek, De sprinkhaan sleept zich voort, zou aan de Bijbel zijn ontleend, maar doet slechts in de verte denken aan een frase in Prediker. De schrijver maakt zijn entree in de roman vlak voor het einde na een lange, spannende opbouw, die duidelijk bedoeld is om in een laatste dramatische scéne tot een apotheose te komen – maar het drama voltrekt zich bijna terloops, zodat het afloopt in een onnadrukkelijke, meesterlijke anticlimax.

Hoewel in dit boek angst en spanning voortdurend aanwezig zijn en meer dan eens uitmonden in spontane moord, is dit nooit aanleiding om het sensationele te rechtvaardigen of de oplossing te zoeken in het gewelddadige. Philip Dick was zich angstig bewust van de kracht van het slechte in de mens en was vertrouwd met krankzinnigheid, op z’n minst met het beginstadium daarvan, waardoor hij gefascineerd was door zowel de maalstroom van eindeloze instabiliteit als door de mogelijkheid dat er één houvast bestond: de welwillendheid en de goedheid – in de meest banale vorm – van gewone mensen. Of onze moeizaam verworven goede bedoelingen onze enige steun zijn of dat die daarentegen slechts dienen om de weg naar de hel mee te plaveien, is een vraag die hij in zijn ontwijkende kunstenaarschap niet vermocht te beantwoorden. Maar het is volgens mij legitiem om het ontoereikende geblunder van zijn personages in hun pogingen om het goede te doen te beschouwen als datgene waar het in deze buitengewone roman om draait.

 

De man in het hoge kasteel is vertaald door Irving Pardoen.


Gepost in: proza op 2016-04-11

Door Philip K. Dick


Ook van Philip K. Dick

Boekenweek special: Philip K. Dick

Boekenweek! Terwijl de rest van het land zich braaf aan het thema ‘natuur’ houdt, doet Lebowski er een schepje bovenop: wij gaan op zoek naar het bovennatuurlijke. Vandaag publiceren we een SNEAK PEEK uit Elektrische Dromen van Philip K. Dick, dat in juni verschijnt. In Het vaderding wordt de vraag gesteld wat het eigenlijk betekent om mens te zijn, in een wereld waar we worden vervangen door replica's.

 


Week van het korte verhaal (3) Philip K Dick

De Week van het Korte Verhaal start dit jaar op Valentijnsdag - hoe toepasselijk. Onze liefde voor dit genre uiten wij maar al te graag, met deze week vijf korte verhalen. De derde is 'Museumopstelling' van Philip K Dick, een SNEAK PEEK uit Elektrische Dromen, die in juni verschijnt.




recente posts