Herinnering

Herinnering

Elke Geurts

Elke Geurts schrijft elke week voor De Limburger over hoe zij het goede leven probeert te leven en hoe haar afkomst dat beïnvloedt.

 

Mijn moeder had aan het begin van de middag een berichtje gestuurd: Waar hang je uit?  Ik ga asperges halen. Zal ik een paar kilootjes meer kopen?
M zei: ‘Ik vind het leuk om met je naar je ouders te rijden, als jij het graag wil.’
Het was op de dag af drie maanden geleden dat ik mijn vader en moeder voor het laatst had gezien, maar zodra ik hun terras opliep, was het als vanouds. Alsof we elkaar gisteren nog zagen.
We staken onze handen op en zeiden ‘hoi’.  We dronken thee en spraken over het virus. Over de doden die gevallen waren. Over de online begrafenis van een oudtante die ze vergeten waren aan te klikken.
M was hier alweer voor de derde keer. Ik vroeg me af hoe vaak in mijn leven ik op deze plek had gezeten. En met wie allemaal. 
Toen de zon niet meer op het terras stond, verkasten we met onze stoelen naar de achtertuin. 
‘Ik ken best veel mensen van wie de ouders de laatste tijd allebei tegelijk zijn gestorven!’ zei ik.
‘Gezellig!’ zei mijn moeder.
‘Of nou ja, een paar dagen na elkaar,’ zei ik. ‘Niet exáct tegelijk natuurlijk.’
Ik legde een trui op mijn hoofd omdat ik niet tegen de zon in kon kijken.
‘We hebben het nu al meer dan twee uur over dat virus,’ zei M. ‘Weten jullie dat wel?’
Toen begonnen mijn vader en hij over de belangrijke bekerfinale die dit jaar niet doorging en over hoe het nu toch verder moest met Studio Sport. Ik vond het leuk dat mijn vader nu wel iemand had met wie hij over sport kon praten.
Op zeker moment stond mijn moeder op, en wenkte M om mee te komen voor een rondleiding langs haar plantjes.
In een fractie van een seconde zag ik daar gewoon mijn ex. Omdat hij meer dan twintig jaar naast haar had gelopen. 
Ik keek naar mijn moeder in haar kanariegele bloesje. Honderduit babbelend. Onderwijl druk gebarend naar de plantjes in haar wilde tuin. 
‘Heeft ze weer iemand die naar haar plantjes kijkt, hè?’ zei ik tegen mijn vader. 
‘Had jij ook mee willen kijken naar de plantjes?’ vroeg hij. ‘Misschien heb jij er nu ook interesse voor gekregen?’
‘Dat niet,’ zei ik.
Even later aten we aspergesoep onder het afdakje en daarna vier kilo asperges met ham en ei. Ook M houdt veel van asperges. 
‘Je plas zal heel erg stinken,’ zei mijn moeder toen hij naar de wc ging.
Voor we gingen, stak mijn moeder nog wat hosta’s uit en zenegroen voor in M’s tuin.
Toen we, met de plantjes in plastic tasjes, terugliepen naar zijn auto, schoot ik weer even terug in de tijd. Toen we nog een Citroën hadden. En geen kinderen.
Ik zwaaide vanaf de bijrijdersstoel naar mijn ouders op het trottoir. We reden de hoek om, ik hield mijn adem in en wachtte op het toeteren. Maar M toeterde niet.
We reden over de hoofdstraat. Ik vroeg me af hoe vaak ik wel niet over deze weg gereden moest zijn.
‘Kijk, hier rechts woonden mijn opa en oma,’ zei ik. ‘Hier kwam ik vroeger dus héél vaak.’ Ik wees naar de villa op de heuvel. 
‘Waar?’ Hij trapte meteen op de rem, midden op de weg bleven we stilstaan, en ik fluisterde ‘doorrijden’ en ‘straks zien ze ons.’ 
Terwijl iedereen die van belang was, die ooit in die villa gewoond had, allang dood was. 
De rest van de autorit heb ik over mijn familie en mij in die villa verteld. Die verhalen kende hij allemaal nog niet. Het viel me op dat ze met het verstrijken van de tijd een stuk minder zwart-wit waren geworden.


Gepost in: faits divers op 2020-05-05

Door Elke Geurts

Deze column is eerder gepubliceerd in Trouw. De roman Ik nog wel van jou verscheen onlangs bij Lebowski.


Ook van Elke Geurts

Wegwerker

Elke Geurts schrijft elke week voor De Limburger over hoe zij het goede leven probeert te leven en hoe haar afkomst dat beïnvloedt.


Afscheid

Elke Geurts schrijft elke week voor De Limburger over hoe zij het goede leven probeert te leven en hoe haar afkomst dat beïnvloedt.




recente posts