Lees een fragment uit 'Het verbrande huis' van Bodil de la Parra

Lees een fragment uit 'Het verbrande huis' van Bodil de la Parra

Bodil de la Parra

Heden verschenen: Het verbrande huis van Bodil de la Parra, een melancholisch en geestig verhaal over familiebanden die - met een oceaan ertussen - liefdevol, soms pijnlijk, maar onverbrekelijk blijken te zijn. Een fragment.


Witte pier

1974


Op mijn tiende verjaardag mag ik tien kinderen uitnodigen. Ik heb een selectie gemaakt van vriendjes en vriendinnetjes, de leukste kinderen zijn overgebleven. Tot nu toe had ik mijn verjaardagen thuis gevierd en gingen we zaklopen, aardappels stempelen of, heel avontuurlijk, een speurtocht houden in de buurt, maar dit jaar is het tijd voor iets unieks. Mijn vader heeft bedacht om naar Schiphol te gaan en daar de vliegtuigen te bekijken. Het komt daarbij goed uit dat hij van een van zijn filmproducties een grote bus in bruikleen kan krijgen. Die is weliswaar beschilderd met blote vrouwen, maar het is echt een buitenkans om zoveel kinderen tegelijk te kunnen vervoeren.
    Als we die middag compleet zijn en eindelijk met z’n allen in de bus stappen, hebben sommige kinderen de beschilderingen wel gezien, maar zijn er geen opmerkingen gemaakt omdat we meer bezig zijn met de hoeveelheid chips en cola die we in de bus mee mogen nemen. We passen inderdaad allemaal in de bus, en zodra we zitten vallen we aan. Niet lang daarna is de helft van de chips op en de helft ligt over de bodem van de bus verspreid. Ook de colaflessen zijn leeg. Mijn vader zet de radio harder. ‘Don’t You Worry ’bout a Thing’ van Stevie Wonder schalt door de speakers. Het swingt de pan uit en het refrein zingen we bijna allemaal mee, zelfs de kinderen die het nog niet kenden. Als we op Schiphol zijn aangekomen gaan we via de hal direct naar het 45 restaurant met uitzicht op de start- en landingsbanen. Sommige kinderen zijn er nog nooit geweest en kijken hun ogen uit. We hebben een topmiddag. Op de terugweg zingen we ‘Ik heb een potje met vet’ in honderd coupletten en thuis aangekomen mag iedereen blijven eten. Mijn moeder heeft patat gebakken en daar mogen we cola bij drinken. Als het fuifje is afgelopen – nu we tien worden noemen we de feestjes ineens fuifjes – zeggen ze allemaal dat ze het nog nooit zo leuk hebben gehad. Ik ben definitief het populairste meisje van de klas.
    De volgende dag gaat het verhaal van de beschilderde bus als een lopend vuurtje op school rond. Ineens wil iedereen met me mee naar huis om de bus te bekijken die bij ons op het parkeerterrein voor de flat staat. De euforie duurt niet lang, want al snel begrijp ik dat de hele buurt er schande van spreekt en dat sommige kinderen niet meer bij ons over de vloer mogen komen omdat het bij ons thuis ‘niet pluis’ zou zijn.
    Gelukkig is het niet lang na mijn verjaardag kerstvakantie en gaan we voor de tweede keer naar Suriname. We zullen vijf weken wegblijven. Mijn ouders hebben een huis gehuurd, maar tot onze vreugde mogen mijn broertje en ik in de Zwartenhovenbrugstraat logeren.

Als we aankomen op vliegveld Zanderij voelt alles vertrouwd. Zelfs de geuren komen ons bekend voor en ik vind het helemaal niet zo warm als de vorige keer. Ditmaal komen niet alleen de tantes ons halen, maar is ook oom Henk present, de broer van mijn vader. Achter de douane staat hij helemaal vooraan tussen de dringende mensen en hij begroet ons hartelijk. Hoewel hij jonger is dan mijn vader, is hij een kop groter en ook veel dikker. Ze omhelzen elkaar en noemen elkaar ‘brada’.
    Dan komen de tantes aangestormd.
    ‘Mi gado, la’ me naar jullie kijken,’ zegt tante Gus, terwijl ze ons een stevige brasa geeft, waarbij het uilenbrilletje dat mijn broertje sinds kort heeft, direct van zijn neus valt. Ze schudt ons nog eens door elkaar en roept: ‘Die kinderen van Holland zijn zoveel langer dan die van hier!’
    ‘Mi gado, wat ben jij grooot!’ zegt tante Jet, terwijl ze aan komt lopen en haar beide handen voor haar mond houdt. ‘Je bent al groter dan tante Pop!’
    Ik denk dat dat best mee zal vallen, maar dan zie ik een piepklein vrouwtje op me afkomen. Tante Pop is bijna twee koppen kleiner dan ik.
    ‘Hoe is het op school?’ vraagt ze met een dun stemmetje. ‘Zijn jullie al op de Euromast geweest?’
    Ze lacht van oor tot oor. Als ze mij een kus wil geven moet ze op haar tenen gaan staan waarbij ik ook nog een eind moet bukken. Ik denk niet dat ik nog aan haar bureautje pas.
    Verderop worden onze Samsonitekoffers naar de auto gebracht. Als de kruier klaar is, pakt mijn moeder haar portefeuille en geeft hem een paar biljetten. De man neemt het geld dankbaar aan en stopt het in zijn zak. Zijn gezicht straalt. Plotseling komt oom Henk tussenbeide en vraagt of de man de biljetten weer tevoorschijn wil halen. Eerst sputtert hij tegen, maar dan haalt hij de biljetten uit zijn broekzak. Zweetdruppels glinsteren op zijn voorhoofd. Oom Henk grist het geld uit zijn handen en begint het demonstratief te tellen.
    ‘Aai mang, dat is toch veel te veel!’ zegt hij bestraffend, terwijl hij er twee biljetten uit pakt en teruggeeft aan de man, die er inmiddels bedremmeld bij staat. De overige biljetten gaan terug naar mijn moeder die ze op haar beurt weer in haar portefeuille stopt. De kruier sjokt teleurgesteld weg.

De volgende ochtend zit Kenneth op het bed van mijn broertje en kietelt diens neus met een stokje. Noel staat met grote ogen naar me te kijken. ‘Heb je al bobbies?’ vraagt hij, terwijl hij een gebaar maakt met beide handen waaruit ik opmaak dat hij daarmee borsten bedoelt. Ik zit direct overeind en trek mijn t-shirt naar beneden. Hoelang stond hij er al?
    In Holland had ik onlangs gemerkt dat ik een paar bewegende erwtjes heb gekregen op de plek waar mijn tepels zitten. Heel onhandig, vooral tijdens het sporten. Ik voetbal vaak achter op het veldje met de jongens en tijdens een van de partijtjes was er al eens een bal tegenaan geknald. Ik wilde de pijn verbijten, maar dat lukte niet. De jongens lachten me allemaal uit en ik droop af, wensend dat ik ook een jongen was.
    We besluiten verstoppertje te spelen. Ik ben ’m en sta met mijn handen voor mijn ogen tot tien te tellen. Als ik klaar ben struin ik zo stil mogelijk door het huis. In de woonkamer aangekomen schiet Noel onder de bank vandaan en Kenneth vanachter de piano. Het is een mooi houten exemplaar met aan beide kanten sierlijke kaarsenhouders.
    ‘Hé, Booodil,’ zegt Noel. ‘Hierop heeft je oma Mavis vroeger Chopin gespeeld, wist je dat?’
    Toevallig hebben wij in Amsterdam een plaat met nocturnes van Chopin. Het was mijn eerste kennismaking met klassieke muziek en sinds de eerste keer dat ik het hoorde zeurde ik mijn ouders aan hun kop of ik een piano mocht. Uiteindelijk kreeg ik een gitaar. 
    Elke week ging ik naar mijn buurmeisje, dat wel een piano had. Zij kreeg op dinsdag les, en in het uur daarna deed ze mij voor wat ze die dag had geleerd. Vervolgens bleef ik net zolang oefenen totdat haar moeder vroeg: ‘Kun je niet aan je ouders vragen of je zelf op les mag?’ Tegen die tijd was ik aangekomen bij Für Elise van Beethoven. Het eerste gedeelte kende ik al.
    Ik ga zelfverzekerd op de kruk zitten en doe de klep open.
    ‘Niet te hard,’ fluistert Noel, die me verwachtingsvol aankijkt.
    Ik zet mijn voet op de demper en begin te spelen. Het geluid dat eruit komt schalt luid door het huis. Niet alleen opa en de tantes zullen nu wakker worden, maar ook de buren, want de huizen in de binnenstad staan dicht op elkaar. Noel en Kenneth rennen lachend de trap af naar het erf. Ik snel ze achterna en we verstoppen ons achter de guaveboom van tante Gus, totdat de kust veilig is en we verder kunnen spelen.
    Kenneth is sinds ons vorige bezoek rustiger geworden, merk ik. De snerpende stem is weg. Zijn moeder is kort geleden overleden. Zou het daardoor komen? Ik ben benieuwd of hij vaak verdrietig is. Het lijkt mij het ergste van de wereld als een van je ouders overlijdt. Maar ik durf er niets over te vragen.
    Die middag speuren we naar leguanen maar vinden er geen. We doen een wedstrijd mango’s eten tot ik er misselijk van ben en verzamelen kevers en spinnen. Noel laat een spin in mijn truitje kruipen. Het beest krioelt op mijn blote buik. Net op het moment dat ik denk dat Kenneth me misschien wel komt redden, heeft hij een bezem gepakt en vraagt: ‘Wil je kennismaken met deze lagadisa?’ Dan jaagt hij een hagedis mijn kant op, een flauw bruin exemplaar met glibberige kleefpootjes. Ik gil van schrik. Noel verlost me en neemt me mee naar ‘de schuilplek’ achter op het erf, een vervallen schuurtje met een kapotte houten tafel erin.
    Daar vraagt hij: ‘Hé, Bodil, heb je HET al gedaan? En was HET lekker?’
    Ik weet niet wat HET is.
    ‘Sang, ze weet niet wat HET is!?’ roept hij uit, terwijl hij terugrent naar Kenneth. ‘Dat ding toch?’ zegt hij en hij maakt wilde bewegingen met zijn heupen. Nu begrijp ik wat hij bedoelt. Hij barst in lachen uit en steekt Kenneth aan. Die blijft er bijna in. Kennelijk is hij niet meer verdrietig om de dood van zijn moeder.

Elke dag spelen we met Kenneth en Noel, ze mogen van mijn ouders overal mee naartoe. Als we de stad ingaan krijgen ze ook schaafijs, als we naar oom Henk gaan blijven ze mee-eten, maken we een tochtje dan worden ze er in de auto bij gepropt. Als er niets op het programma staat gaan we ‘Paramaribo onveilig maken’, zoals Noel het noemt. Dan spelen we met buurkinderen op de speelplaats om de hoek, waar ze schommels en een wip hebben. Zo ontmoeten we veel andere kinderen en gaandeweg voel ik me echt een Surinaamse. Ik heb mezelf een Surinaams accent aangemeten en niemand hoort het verschil. Denk ik.
    Maar opeens is er een meisje dat tegen me zegt dat ik weg moet, ‘omdat ik uit Holland kom’.
    Met mijn zwaarst aangezette Surinaamse accent zeg ik: ‘Ik kom niet van Holland, ik ben van hier.’
    Het meisje kijkt me fel aan. ‘
    O ja?’ zegt ze. ‘Hoe komt het dan dat je zo wit bent?’
    Ik schrik me rot. Ik? Wit? Zo werd mijn vader vroeger uitgescholden. Maar ik nu dus ook. Ik heb zelfs een liedje van hem geleerd dat hij vroeger naar zijn hoofd geslingerd kreeg: ‘Witte pier, zonder manier, veeg je bil met korespier.’ Mijn broertje en ik hadden het vaak gezongen, zonder te beseffen wat het betekende. Maar nu, hier in Suriname, dringt het tot me door: als witte ben je niet alleen onbeleefd maar ook vies.
    In Holland worden we nooit gezien als wit. Mijn vader zeker niet, vanwege zijn zware Surinaamse accent. Ik word in Holland juist vaak ‘die bruine’ of ‘die pinda’ genoemd. En de vraag waar ik nu eigenlijk écht vandaan kom ben ik ook allang zat.
    Maar nu is het hier in Suriname ineens: ‘Hoe komt het dat je zo wit bent?’
    Ik weet er geen antwoord op en stamel maar wat. Het meisje blijft me uitdagend aankijken. Het is een zwart meisje, zie ik ineens. En Kenneth en Noel zijn ook veel bruiner dan ik. Daar had ik tot nu toe nog nooit bij stilgestaan.
    ‘Je ziet toch dat het mijn nicht is?’ zegt Noel.
    ‘Ja, ze lijkt sprekend,’ zegt Kenneth.
    ‘Maar ze is niet van hier,’ zegt het meisje.
    ‘Jawel, ik woon hier,’ zeg ik, weer met een zwaar accent.
    ‘Niet waar,’ zegt ze.
    ‘Ze is alleen allergisch voor zonlicht,’ zegt Noel.
    Dan begint het meisje Sranantongo te spreken. Kenneth en Noel geven antwoord maar ik spreek de taal niet. Ik voel me buitengesloten. Waarom heeft mijn vader ons geen Sranantongo geleerd? Dat blijkt hij hier ineens vloeiend te spreken, maar in Holland hadden we daar nooit iets van gemerkt.
    ‘Kom, we gaan schommelen,’ zegt Noel. Kenneth vertelt dat ze Sranantongo ook wel taki taki noemen, maar dat moet ik absoluut nooit zeggen want dat is beledigend. ‘En als je het over neger-Engels hebt, kan je helemaal klappen krijgen,’ zegt hij.
    Ze leren me een paar zinnetjes. Fawakka? Hoe gaat het? Tang Boeng! Heel goed! You wanna dringi wan sani? Wil je iets drinken? En ook een liedje: Faya sitong no brong me so no brong mi so, a djama soema pi kiri soema pikin. ‘Dat zing je bij een spelletje met een vuursteen,’ zegt Kenneth. Ik weet niet wat een vuursteen is, maar meer zegt hij er niet over. Tot slot komt Noel nog met ‘Lik m’n tollie’ en ‘Lik m’n poentje’. Daarvan kan ik prima raden wat het betekent.

Die avond kan ik niet slapen. Hoe zit het nu eigenlijk met mijn familie? Mag ik me wel thuis voelen in dit land? En wat betekent het eigenlijk om Surinaams te zijn?
    De volgende dagen heb ik weinig trek en ook geen zin om te spelen. Als ik op een middag zelfs geen zin heb om naar het zwembad te gaan, neemt tante Gus me apart.     ‘Wat scheelt je?’ vraagt ze.
    ‘Niets,’ zeg ik, terwijl ik mijn schouders ophaal.
    ‘Je kunt het me gerust vertellen.’ Ze kijkt me lang aan.
    ‘Ben ik nu Surinaams of niet?’ vraag ik.
    Tante Gus komt tegenover me zitten. Ik probeer niet naar haar benen te kijken.     ‘Surinaams zijn zit vanbinnen,’ zegt ze, terwijl ze wijst op de plek van haar hart. ‘De meeste Surinamers zijn gemengd. Dat noemen ze hier moksi meti.’
    ‘Zoals het gerecht?’ vraag ik. Het is mijn lievelingsrijst met alles door elkaar: vlees, vis en lekkere zoete groentes.
    ‘Precies zoals het gerecht,’ zegt ze. ‘We hebben hier Indianen, Javanen, Chinezen, Libanezen en Creolen. We hebben ook boslandcreolen en die worden ndyuka’s genoemd. We hebben de boeroes, de boeren uit Holland die hun vee meebrachten. Maar dat ging allemaal dood, omdat het hier zo heet was. Daar hadden die bakra’s geen rekening mee gehouden!’ Bij dat laatste barst ze in lachen uit. ‘Ai baia…’ en veegt een traan uit haar oog.
    ‘En wat zijn wij?’ vraag ik.
    ‘Wij zijn oorspronkelijk joodse Portugezen. Maar we hebben ook Creools en Indiaans bloed.’
    ‘Hoe zijn die hier allemaal gekomen?’ vraag ik.
    ‘Dat zal ik je allemaal nog weleens vertellen,’ zegt ze. ‘Maar nu moet je maar weer gaan spelen met de anderen. Je moet genieten van je vakantie, want voor je het weet is die voorbij.’
    Die middag maken we Paramaribo onveilig met Kenneth en Noel. We spelen tikkertje met de andere kinderen. ‘Het meisje’ is er ook maar ze keurt me geen blik waardig.
    Aan het eind van de dag doen Noel en ik een wedstrijd schommelen. We komen bijna tot de hoogste boom.
    ‘Wat ben jij dan?’ vraag ik hem. Ik wijs op zijn huid die nog een tintje donkerder is dan die van Kenneth.
    ‘Ik ben een halve koelie.’
    ‘O,’ zeg ik, zonder precies te weten wat een koelie is.
    ‘Mijn vader is een Hindoestaan, wist je dat niet?’
    ‘Een wat?’ vraag ik.
    ‘No spang,’ zegt Noel. ‘In Suriname doet iedereen het met iedereen!


Meer over Het verbrande huis van Bodil de la Parra lees je hier


Gepost in: proza op 2020-06-17

Door Bodil de la Parra


Ook van Bodil de la Parra

Digitaal fotokatern 'Het verbrande huis': familiefoto's van Bodil de la Parra

Nu verschenen: Het verbrande huis, een Surinaams familieverhaal. Bodil de la Parra schrijft over de zomers die zij doorbracht in de apotheek aan de Zwartenhovenburgstraat in Paramaribo, samen met de ongetrouwde tantes Gus, Pop en Jet, haar speelse neefjes en haar norse grootvader R.L. Het resultaat: een melancholisch en geestig verhaal over familiebanden die - met een oceaan ertussen - liefdevol, soms pijnlijk, maar onverbrekelijk blijken te zijn. 

Om het verschijnen van Het verbrande huis te vieren, delen Bodil en Lebowski een digitaal fotokatern. Maak kennis met de hoofdrolspelers uit de familiegeschiedenis. 




recente posts

Introductieweek

Introductieweek

Jonah Falke
Gepost op: 2020-09-24 in: faits divers
Ongetemd

Ongetemd

Elke Geurts
Gepost op: 2020-09-23 in: faits divers