Schoonheid is een vloek (voorpublicatie)

Schoonheid is een vloek (voorpublicatie)

Eka Kurniawan

Op een namiddag tijdens een weekeinde in maart stond Dewi Ayu op uit haar graf, na eenentwintig jaar dood te zijn geweest. 

Een herdersjongen schrok wakker uit zijn middagdutje onder een frangipaniboom, plaste in zijn broek van angst en schreeuwde, en zijn vier schapen renden in alle windrichtingen weg tussen de grafstenen en de houten grafplanken, alsof een tijger in hun midden was losgelaten. Het begon allemaal met wat gestommel in het oude graf met een naamloze grafplank te midden van het kniehoge gras, dat de mensen kenden als het graf van Dewi Ayu. Ze was op tweeënvijftigjarige leeftijd gestorven en kwam – na eenentwintig jaar lang dood te zijn geweest – weer tot leven. Sindsdien wist niemand meer hoe ze haar leeftijd moesten berekenen.

De mensen uit de buurt van het kerkhof kwamen op het naamloze graf af nadat de herdersjongen had rondgebazuind wat er aan de hand was. Met de punten van hun sarongs opgerold, hun kinderen in hun armen dragend, bezems meesjouwend, en sommigen zelfs besmeurd met modder, dromden ze in groepjes bij elkaar achter de sierkersenstruiken en jathropabomen en in de nabijgelegen tuinen met bananenbomen. Niemand durfde dichterbij te komen, iedereen bleef slechts luisteren naar het lawaai in het oude graf, alsof ze in een kring rond de medicijnverkoper stonden, zoals ze elke maandag op de markt deden. Ze genoten zichtbaar en vol verwondering, onbezorgd over het feit dat dit iets was waar ze van zouden griezelen als ze alleen waren geweest. Ze hoopten zelfs een beetje op een wonder in plaats van wat ordinair lawaai uit een oud graf, want die vrouw onder de grond was tijdens de oorlog een prostituee van de Japanners geweest en van die mensen zeiden de kyai, de geestelijk leiders, dat zij – eenmaal besmeurd met zonden – vast nog in hun graf zouden worden gekweld. Dat lawaai was vast en zeker het geluid van de zweepslagen van de martelengelen, oersaai, dus hoopten ze op iets wonderbaarlijkers.

En dat wonder, dat kwam als iets opzienbarends! Het oude graf kwam in beweging en barstte open, het zand werd – alsof het van onderen omhoog werd geblazen – alle kanten op geslingerd, met een kleine storm en aardbeving als gevolg, waardoor ook het gras en de grafplank door de lucht vlogen. Achter het gordijn van zand en gras stond de gedaante van een oprijzende oude vrouw, onhandig en geirriteerd, nog altijd in een lijkwade gehuld, alsof zij en haar lijkwade pas één nacht in het graf hadden gelegen. De mensen reageerden hysterisch en namen nog chaotischer dan de schapen de benen: hun geschreeuw weerkaatste tegen de veraf gelegen heuvels. Eén vrouw wierp haar baby in de struiken, een vader wiegde in plaats van zijn kind een bananenstam in zijn armen. Twee mannen tuimelden in een sloot, weer anderen lagen bewusteloos langs de kant van de weg en één man rende aan een stuk door vijftien kilometer ver.

Dit alles aanschouwend kon Dewi Ayu alleen maar hoestend en verbaasd constateren dat ze midden op de begraafplaats stond. Ze had de twee bovenste touwen van de lijkwade al losgemaakt en haalde er nog twee bij haar voeten los om vrij te kunnen lopen. Haar haren waren wonderlijk genoeg door blijven groeien waardoor ze, eenmaal uit de lijkwade losgeschud, in de avondwind wapperden en langs de grond streken, glanzend als zwarte wieren in de rivier. Maar haar gezicht was stralend wit, haar huid gerimpeld, en haar ogen kwamen schitterend tot leven in haar oogkassen om de mensen die nog achter de struiken stonden op te nemen, waarna de helft van hen de benen nam en de andere helft het bewustzijn verloor. Dewi Ayu mopperde dat de mensen hadden gezondigd door haar levend te begraven.

De eerste aan wie ze dacht was haar baby, die vanzelfsprekend geen baby meer was. Eenentwintig jaar geleden stierf ze, twaalf dagen na de geboorte van een lelijk meisje, zo lelijk dat de vroedvrouw niet zeker wist of ze te maken hadden met een kind of met een hoopje uitwerpselen – aangezien de uitgangen waar baby’s en uitwerpselen vandaan komen slechts twee centimeter van elkaar af liggen. Maar het kindje bewoog zich en glimlachte, zodat de vroedvrouw uiteindelijk wel moest geloven dat het echt om een baby ging.
Ze zei tegen de moeder, die uitgeput op bed lag en haar kindje niet wenste te zien, dat haar baby al geboren was, gezond en met een vriendelijke uitstraling.

‘Een meisje, hé?’ vroeg Dewi Ayu.

‘Ja,’ zei de vroedvrouw, ‘net als de vorige drie.’

‘Vier dochters en allemaal even mooi, ik zou een eigen bordeel moeten hebben,’ zei Dewi Ayu met een volmaakt geërgerde toon. ‘Zeg me, hoe knap is mijn jongste telg?’

De baby, stevig gewikkeld in een doek in de armen van de vroedvrouw, begon te huilen en tegen te stribbelen. Terwijl een andere vrouw de kamer in en uit liep om de vuile met bloed besmeurde doeken op te halen en de nageboorte weg te gooien, liet de vroedvrouw Dewi Ayu’s vraag onbeantwoord omdat ze onmogelijk kon zeggen dat de baby, die toch echt op een hoopje zwarte poep leek, een mooie baby was. In een poging de vraag te ontwijken, zei ze: ‘Je bent een oude vrouw; ik weet niet zeker of je je baby kunt zogen.’

‘Ja, dat is zo. Mijn melk is opgemaakt door mijn vorige drie kinderen.’

‘En door honderden mannen.’

‘Honderdtweeënzeventig mannen. De oudste was tweeënnegentig jaar oud, de jongste twaalf jaar, een week nadat hij zijn besnijdenis had gevierd. Ik weet me ze allemaal heel goed te herinneren.’

De baby begon weer te huilen. De vroedvrouw zei dat ze een min moest vinden voor de kleine meid. Als die er niet was, dan moest ze aan koemelk zien te komen, of hondenmelk of als het niet anders kon muizenmelk. ‘Ja, ga maar,’ zei Dewi Ayu. Een pechvogel van een meid, dacht de vroedvrouw terwijl ze naar het deerniswekkende gezicht van de baby keek. Ze kon het gezichtje niet eens beschrijven, ze kon zich enkel indenken dat het op een klein monster leek, een vloek van de hel. Het hele babylijfj e was pikzwart, alsof het levend was verbrand, en had een vorm die nergens op leek. Ze kon bijvoorbeeld niet met zekerheid zeggen of de neus van de baby echt een neus was, omdat die eerder op een contactdoos leek dan op iets wat zij van kind af aan als neus had gekend. Het mondje van de baby deed denken aan de sleuf in een spaarvarken en haar oren hadden veel weg van de handvatten van een pan. Ze wist zeker dat er in heel de wereld geen lelijker wezen bestond dan deze arme kleine meid, en als zij God was geweest, dan had ze de baby liever dood laten gaan dan haar in leven te laten. De wereld zal haar genadeloos veel kwaad doen.

‘Arm kind,’ zei de vroedvrouw voordat ze eropuit ging om een min te zoeken.

‘Inderdaad, arm kind,’ zei Dewi Ayu terwijl ze zich onrustig in haar bed draaide. ‘Ik heb alles gedaan om je dood te laten gaan. Ik had eigenlijk een granaat in moeten slikken en die in mijn buik uit elkaar laten spatten. Kleine pechvogel, net als criminelen zijn pechvogels moeilijk uit te roeien.’

Aanvankelijk deed de vroedvrouw haar best om het gezichtje van de baby voor iedereen verborgen te houden, zo ook voor de buurvrouwen die langskwamen. Maar toen ze zei dat ze melk nodig had vochten de buren om het hardst om de baby te zien. Het was voor iedereen die Dewi Ayu kende altijd een plezier geweest om haar schattige dochtertjes te zien. De vroedvrouw was niet opgewassen tegen de invasie van mensen die het doekje over het gezichtje van de baby opzijschoven, maar toen de mensen het gezichtje zagen en schreeuwden van afschuw, glimlachte ze en wreef hen onder de neus dat ze nog had getracht het helse gezichtje te verbergen.

Toen de ergste schrik was weggeëbd, en nog voordat de vroedvrouw vertrok, stonden de mensen er nog altijd, met een idiote uitdrukking op hun gezicht alsof ze hun geheugen hadden verloren.

‘Ze moesten haar maar van kant maken,’ zei een vrouw die als eerste bevrijd was van de acute amnesie.

‘Dat heb ik al geprobeerd,’ zei Dewi Ayu terwijl ze binnenkwam. Ze droeg een verkreukelde duster en om haar middel had ze een doek gewikkeld. Haar haren zaten vreselijk in de war, alsof ze zich had ontworsteld uit een stierengevecht.

De mensen keken haar vol medelijden aan.

‘Is ze niet knap?’ vroeg Dewi Ayu.

‘Ehm, ja.’

‘Er bestaat geen gruwelijkere vervloeking dan mooie dochters te moeten baren in een wereld vol mannen die net zo onzedelijk smerig zijn als honden die achter loopse teefjes aanlopen.’

Niemand reageerde, de mensen keken haar alleen maar aan, vol spijt over hun leugen. Rosinah, een jong meisje uit de bergen dat niet kon spreken en al jaren voor Dewi Ayu had gezorgd, bracht haar naar de badkamer, waar ze een bak met warm water had klaargezet. Daar dompelde Dewi Ayu zich in en waste zich met zwavelzeep, geholpen door het stomme meisje, dat het haar van haar meesteres waste met aloë vera-olie. Het meisje leek de enige te zijn die zich geenszins van haar stuk liet brengen door de lelijke baby. Rosinah schrobde de rug van haar meesteres met puimsteen, sloeg een handdoek om haar heen en maakte de badkamer schoon nadat Dewi Ayu de ruimte had verlaten.

Iemand probeerde wat levendigheid in de zwaarmoedige stemming te brengen en zei tegen Dewi Ayu: ‘Je moet de baby een goede naam geven.’

‘Ja,’ zei Dewi Ayu. ‘Haar naam is Schoonheid.’

‘Och,’ de mensen slaakten een kreet, om haar op beschamende wijze op andere gedachten proberen te brengen.

‘Of Vloek, misschien?’

‘Mijn god, noem haar niet zo.’

‘Nou, dan heet ze Schoonheid.’

 

Schoonheid is een vloek van Eka Kurniawan verschijnt op 1 juni. Het boek is vertaald door Maya Liem & Sven Aalten. Meer info vindt u hier. Kurniawan bezoekt op 2 en 3 juni de Tong Tong Fair in Den Haag. 


Gepost in: proza op 2016-05-15

Door Eka Kurniawan

recente posts